Zienswijze convenant gewasbeschermingsmiddelen

Het kabinet wil bindende afspraken maken met onder anderen boeren, tuinders en natuurorganisaties om het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen te verminderen. Meten=Weten ging in gesprek met convenantvoorzitter Gert-Jan Segers en stuurde een zienswijze op een aantal onderwerpen die volgens ons van belang zijn.

Probleemstelling
Meten=Weten ziet twee grote maatschappelijke problemen die samenhangen met het pesticidegebruik: de sterke achteruitgang van de natuur in Nederland en de gezondheidsschade aan mensen, zowel boeren als omwonenden. Daartegenover staat het individuele gewin van een boer/teler die de opbrengst van zijn gewas veiligstelt. De maatschappelijke kosten worden door deze boer/teler niet gedragen.

Oplossingen
Als de Nederlandse overheden de vigerende wetgeving juist en volledig toepassen, wordt zeer grote voortgang geboekt in het tegengaan van de neveneffecten van het pesticidegebruik en zouden ongewenste neveneffecten worden vermeden. Wij zien de noodzaak of het rendement van een convenant niet. Een convenant mag nimmer wettelijke bepalingen ter zijde leggen. Een convenant kan slechts aanvullend zijn boven op de benodigde acties om aan de wetgeving te voldoen.
De Nederlandse regering kan nationale regels aanpassen, maar geen op Europese wetgeving gebaseerde regels.
Aan IPO hebben wij vorig jaar al aangegeven op welke wijze de provincies de uitspraak van de Raad van State zouden kunnen opvolgen.

In essentie komt het neer op:

  • Telers moeten een natuurvergunning aanvragen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen, die zij niet krijgen voor de middelen die gebaseerd zijn op stoffen die met metingen zijn aangetoond in natuurgebieden.
  • Om dit effectief en toetsbaar te maken
    • is monitoring nodig (welke stoffen worden buiten de akkers aangetroffen);
    • en is transparantie nodig over welke stoffen waar worden gebruikt.
  • Innovatie moet worden ingezet om gewassen, ondanks dat er geen schadelijke pesticiden meer gebruikt kunnen worden, toch te beschermen.

Wetgeving
De vigerende Europese wetgeving, Richtlijnen en Verordening, moet uitgangspunt zijn voor het beleid. Richtlijnen dienen in nationale wetgeving te worden geïmplementeerd. Als de implementatie niet juist of volledig is, geldt rechtstreekse werking. Niet zozeer de inhoud van vigerende wetgeving, maar de uitvoering van deze wetgeving is een basisoorzaak voor de problemen die zijn gesignaleerd rond het gebruik van pesticiden.

  • De implementatie van de Habitatrichtlijn in de Omgevingswet is bruikbaar. Alleen inspraak voor particulieren is niet volledig geregeld. De loskoppeling van diverse vergunningen onder de Omgevingswet (een politieke keuze) kan leiden tot bijvoorbeeld een bouwvergunning zonder dat een natuurvergunning mogelijk is. Dit leidt tot spanningen en extra belasting van de rechtspraak.
  • De Richtlijn 2009/128/EG, betreffende ‘duurzaam gebruik van pesticiden’ is onvolledig geïmplementeerd in de Wgb (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden) met betrekking tot artikel 12. In dit artikel is, kortheidshalve, de verplichting opgenomen het gebruik van pesticiden bij kwetsbare gebieden te minimaliseren of te verbieden. Kwetsbare gebieden heeft betrekking op mensen (bijv. scholen) en Natura 2000-gebieden. Deze omissie leidt weer tot extra procedures op basis van de zorgplicht uit de Omgevingswet.
  • De Verordening (EG) Nr.1107/2009 is leidend in de pesticidenproblematiek. Hierin is de toelating van pesticiden (deels) geregeld.
    • Een essentie is neergelegd in artikel 4, onder 3: Een gewasbeschermingsmiddel … voldoet aan de volgende eisen: b) het heeft geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van de mens, met inbegrip van kwetsbare groepen, of op die van dieren …
    • In hetzelfde artikel 4 is echter geregeld dat een stof wordt toegelaten als het aan vastgestelde goedkeuringscriteria voldoet. Die goedkeuringscriteria zijn onvoldoende om de zekerheid te verkrijgen dat er geen schadelijke effecten optreden voor mensen en dieren.
    • Deze discrepantie is een belangrijke oorzaak van polarisatie. Enerzijds is de mening; ‘de stof is toegelaten, dus veilig’, anderzijds de mening; ‘bewezen is dat niet alle toegelaten bestrijdingsmiddelen voldoende veilig zijn’.

Voorzorgbeginsel
Toepassing van het voorzorgbeginsel voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen vereist dat aan de wettelijk vastgelegde toetsingskaders wordt voldaan. Voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn twee wettelijke toetsingskaders van belang:

  1. In de Verordening (EG) nr. 1107/2009 is opgenomen dat een stof of middel geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect mag hebben op mensen en dieren en geen onaanvaardbare effecten heeft op het milieu (artikel 4, lid 3 van de Verordening).
  2. In de Habitatrichtlijn is opgenomen dat de zekerheid moet bestaan dat een activiteit geen significant effect mag kunnen hebben op een Natura 2000-gebied.
    • Recente ontwikkelingen laten zien dat bij de toelating en het gebruik van bestrijdingsmiddelen het voorzorgbeginsel niet op een juiste wijze is toegepast.
    • Het Europees Hof van Justitie heeft vastgesteld dat de toelating hiaten vertoont.
    • Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat het gebruik van toegelaten middelen geen garanties geven dat geen schadelijke effecten optreden.
    • Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat de onvolledige beoordeling bij toelating door het Ctgb kan leiden tot een onrechtmatige daad.
    • De Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State heeft vastgesteld dat een toelating niet de zekerheid geeft dat geen significante effecten op Natura 2000-gebieden kunnen optreden.

De conclusie is dat de potentiële gevaren door het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet in voldoende mate zijn weggenomen om te voldoen aan de randvoorwaarden uit de Verordening en de Habitatrichtlijn. Deze onvolkomenheden in de toelating verplichten en legitimeren overheden om aanvullende maatregelen te nemen teneinde te voldoen aan de vereisten uit de Verordening en de Habitatrichtlijn.

Milieubelastingpunten
Het begrip ‘milieubelastingpunten’, zoals genoemd in de aankondiging van het convenant, leent zich niet om effecten van pesticiden te kwalificeren en te kwantificeren, evenmin om aan de wetgeving (Habitatrichtlijn, Omgevingswet, KRW en Verordening) te voldoen.

“Met de glastuinbouw, de akkerbouw en ketenpartijen sluiten we nationale, bindende convenanten om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen (op basis van milieubelastingspunten) fors te beperken. Er komt meer ruimte voor geïntegreerde gewasbescherming.”

Gesprekpartijen zijn belangengroepen
In de bespreking over het convenant (kerntafel) ontbreken belangrijke organisaties die kennis hebben van en kritisch zijn over de inzet van bestrijdingsmiddelen, zoals universiteiten en hogescholen, Biohuis, Meten=Weten en andere. Telkenmale lees je zinnen als “dit is met sector besproken”. De sector heeft weliswaar specifieke kennis, maar geen volledig maatschappelijk beeld.
Van belang is het consulteren en laten deelnemen van organisaties die een algemeen belang beogen. Ofwel, geen eigen economisch belang hebben bij het onderwerp. De agrarische sector is opportunistisch met veel aandacht voor kortetermijnbelang.
Op basis van de uitspraak van de Afdeling is de opgaaf er zorg voor te dragen dat stoffen uit bestrijdingsmiddelen niet in Natura 2000-gebieden terechtkomen. Gebrek aan kennis is geen reden de bepalingen van de Habitatrichtlijn niet na te leven. Habitatrichtlijn eist wetenschappelijke zekerheid over het uitblijven van effecten.

Verspreiding
Een speerpunt van Meten=Weten is dat wij hebben aangetoond dat bestrijdingsmiddelen zich tot ver buiten de akkers verspreiden en aanwezig zijn in moestuinen, slaapkamers en Natura 2000-gebieden. In Nederland is geen grotere afstand dan 7 km van akkers te vinden. Het gaat over afstanden die ver liggen buiten door drift veroorzaakte verspreiding. Verdamping en/of hechting aan stofdeeltjes spelen hierbij de hoofdrol. Dit blijkt mede uit de luchtmetingen. Het aanpakken van eigenschappen van stoffen die leiden tot verdamping dient prioriteit te hebben.

Zonering
Zonering behoeft van begin af aan benadering op stoffenniveau en onderzoek. Zonering heeft geen basis op niveau van alle pesticiden. Voor PFAS, inclusief TFA, is geen zonering mogelijk. Voor andere stoffen is nog veel onderzoek noodzakelijk. Primair kunnen stoffen worden toegestaan die in de omgeving van metingen zijn gebruikt en niet in Natura 2000-gebieden zijn aangetroffen. Dat is weliswaar geen bewijs, maar andersom, NGO’s maken effecten ook niet aannemelijk.
Zonering door alleen nog biologische teelt mogelijk te maken rondom natuurgebieden en gevoelige functies, kan goed bijdragen aan het zichtbaar maken van maatregelen op het gebied van pesticiden.

Bioaccumulatie en cocktailwerking
Bioaccumulatie zoals vroeger bij DDT of PCB’s, geldt zeker PFAS en stoffen i.v.m. parkinson. Maar we weten niet bij welke bestrijdingsmiddelen het voorkomt. Aangetoond is dat cocktails een veel sterkere werking, en dus ook nevenaffecten, kunnen hebben als de afzonderlijke stoffen. Verschillende malen bleek stof 1 een afweer op te heffen, waardoor stof 2 kon toeslaan.

Veilige ondergrens
Het is niet onlogisch te veronderstellen dat er een veilige ondergrens bestaat van het voorkomen van bestrijdingsmiddelen voor Natura 2000-gebieden. Kennis hiervoor ontbreekt echter. Gezien de strikte eisen die de Habitatrichtlijn stelt aan het wetenschappelijk bewijs is het niet te verwachten dat deze grenzen kunnen worden bepaald.
De veilige ondergrens voor mensen dient te worden bepaald inclusief langetermijneffecten en inclusief effecten op de voortplanting. De Ctgb (EFSA) doet dit nu niet.

Oriëntatie op klachten van omwonenden
Omwonenden klagen met reden. De reden is gebaseerd op geconstateerd feilen van de toelating en geconstateerde relaties van gezondheid en bestrijdingsmiddelen. Ook de GGD’s spelen hierbij een rol, waaronder een waarschuwende rol. Zelfs al zijn de redenen mogelijk objectief gezien zwak, er is onzekerheid. Dit wordt mede in de hand gewerkt door geheimhouding welke middelen worden gebruikt.
Het in de ogen van omwonenden niet-functioneren, niet-handhaven van de NVWA leidt ook tot klachten. Omwonenden worden met kluitje in het riet gestuurd. De boer wordt beschermd.

Openheid / transparantie
Gebrek aan openheid over welke middelen waar en wanneer worden toegepast (openbaarheid registers) is een belangrijke stoorfactor. De agrarische sector voert een bewust beleid om spuitgegevens aan openbaarmaking te onttrekken. Hun argument is vooral dat er misbruik van de gegevens kan worden gemaakt. Daar staat tegenover dat wetenschappelijk onderzoek en veldmetingen niet kunnen worden gecorreleerd met middelengebruik in een omgeving.
Een neveneffect van de geheimhouding is wantrouwen. Wat spuit die boer en is dat mogelijk schadelijk voor mij? Wanneer moet ik wel of niet aan de adviezen van de GGD (binnen blijven, ramen dicht, etc.) voldoen? Spuiten zal altijd gebeuren, ook als de schadelijke stoffen worden uitgebannen, daarom is het nodig dat ook burgers inzicht hebben in wat, waar gespoten wordt.

Alleen intensieve landbouw kan de hoge grondprijs opbrengen
Er is een onderliggend probleem namelijk dat in Nederland de grond erg duur is geworden en deze tot de beste van de wereld behoort. Hierdoor is eigenlijk alleen nog intensieve landbouw (met een hoog pesticidegebruik) mogelijk die een hoge milieudruk met zich meebrengt. (Hoe kun je een hectare landbouwgrond bebouwen met gewassen die slechts € 3000 per hectare opleveren als die hectare € 100.000 kost en de boer er ook nog van moet leven?) Met ontkenning van de situatie is de afgelopen jaren geprobeerd toch nog een verdienmodel overeind te houden voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: een natuurvergunning is verplicht als een teler gewasbeschermingsmiddelen wil gebruiken.

foto: Alireza Parpaei (Unsplash)

Vergelijkbare berichten